Kweken met aquariumvissen
Door Koos Sanders en Jan de Wit
Inleiding
Het houden van tropische siervissen kan in de toekomst wel eens voor problemen komen te staan. Nu al gaan er geruchten dat er importbeperkingen kunnen komen die opgelegd gaan worden door de Europese Commissie. Onze regering wacht op deze richtlijnen om die ook in ons land in te gaan voeren. Wanneer het zover is kunnen we op dit moment niet voorzien maar dat ze er zullen komen is zonder twijfel. Om nu onze liefhebberij in stand te kunnen houden zijn we in de toekomst verplicht om zelf te zorgen voor de nodige aanwas. Toch zeker de liefhebber die al geruime tijd onze mooie hobby bedrijft en enigszins uitgekeken is op de meest voor de hand liggende soorten maar zich wil specialiseren in soorten voor bijvoorbeeld een biotoopaquarium of een speciaalaquarium zal moei-lijk aan zijn keuze siervissen kunnen komen.
Nu reeds wordt het kweken van tropische zoetwatervissen door een aantal aqua-rianen met wisselend succes toegepast maar voor iedere echte aquariaan zou het kweken van vissen een uitbreiding van zijn hobby moeten zijn. Voor we echter tot het kweken kunnen overgaat dienen een aantal zaken terdege te worden overwogen en er dienen een aantal voorbereidingen getroffen te worden, alvorens het eigenlijke kweken aan bod komt.
In het vervolg van deze reeks willen we een aantal aspecten van het kweken met tropisch siervissen aan de orde stellen.
De technische voorbereiding.
Kweekruimte.
Iedere ruimte is goed mits er maar voldoende rust heerst, want een rustige omgeving is een der belangrijkste voorwaarden voor het slagen van de kweek. Een zolder, kleine kamer, deel van een schuur, grote kast, ja zelfs de vensterbank is mogelijk. Het verdient wel aanbeveling om, als er een ‘kweekhok’ mogelijk is dit te isoleren om onnodig warmteverlies tegen te gaan. Dit isoleren kan gedaan worden met tempex of glaswol.
Kweekbakken.
Meerdere bakken zijn nodig, waaronder een of meer zogenaamde uitzwemmers van ca. 100 cm. of meer. Ook de bereikbaarheid van de kweekbakjes dient optimaal te zijn. Zo is een zogenaamde kweekstelling van achter/boven elkaar geplaatste bakken erg handig. De opstelling dient de nodige stevigheid te hebben om trillen of schokken zoveel mogelijk te beperken. Er zijn verschillende soorten aquaria die als kweekbak gebruikt kunnen worden. Maar bijna allemaal hebben ze voor- of nadelen.
Gegoten glazen bakken, de z.g. accubakken. De voordelen zijn dat ze geheel naadloos zijn. Ze kunnen erg gemakkelijk schoongemaakt worden. Nadelen, bij grotere maten zijn ze zeer breekbaar en het glas is niet zo helder als normaal glas. Dit kan hinderlijk zijn bij het observeren van eitjes en jongbroed.
Plastic bakken. Voordelen zijn dat ze licht zijn en erg goed schoon te maken. Nadelen: Bij plastic moet men bij het schoonmaken erg voorzichtig zijn om geen hinderlijke krassen te maken.
Gelijmde aquaria. De voordelen kunnen we zelf gemakkelijk invullen. Dit zijn wel de meest ideale aquaria die er bestaan. Ze zijn in alle maten te maken en als de siliconenkit aan de binnenzijde goed vlak is afgewerkt zijn ze zeer goed schoon te maken. Nadelen zijn niet bekend. De grootte hangt wel af van het paringsritueel, dus de ruimte dit de vissen nodig hebben, van de vissen waarmee we gaan kweken. Belangrijk is ook dat we door de bak heen kunnen kijken en er ruimte is achter de bak om een zaklampje te plaatsen zodat we de larven kunnen ontdekken en eventueel kunnen observeren.
Kweekseizoen.
Het kweekseizoen in de vrije natuur hangt nauw samen met het voedselaanbod, een zeer logische gang van zaken. In de streken waar onze vissen vandaan komen kennen we een tweetal seizoenen, n.l. een droge en een natte periode. In de vrije natuur zal het voedsel aanbod aan het begin van het natte seizoen het grootst zijn. Toch is echter weinig bekend in welke maanden de diverse soorten tot voortplanting overgaan.
Het voedsel aanbod geldt in veel mindere mate voor het kweken in het aquarium. We kunnen dus niet van een kweekseizoen spreken maar het gehele jaar is het mogelijk om een kweekpoging te wagen. Echter in ons voorjaar en najaar zal het aanbod van slootvoer en ander levend voer het grootst zijn en is dit dus een uitgelezen tijd om kweekpogingen te wagen.
Ook hier zijn er echter uitzonderingen, b.v. de Glasbaars, Chanda ranga, waarvoor we in het allereerste stadium van de opfok van de larven aangewezen zijn op Cyclops-nauplien, welke alleen in ons voorjaar te vangen zijn.
Verlichting.
Een vaste opstelling met lichtkappen is niet erg praktisch. Losse lichtbakjes met b.v. TL-buisjes van 8 of 15 watt zijn erg handig. We kunnen ze plaatsen waar we willen en waar ze nodig zijn. Daglicht is wel nodig, direct zonlicht kan ook voor enkele soorten zijn voordelen hebben.
Het maakt meestal niet uit of gebruik gemaakt wordt van kunstlicht of daglicht, enkele uitzonderingen zijn er echter wel, b.v Colisa lalia die erg op zonlicht prijs stelt. Wel is belangrijk dat de lichtsterkte geregeld kan worden.
Bij kunstlicht is de lichtsterkte door middel van het toe te passen wattage of een dimmer zeer gemakkelijk te regelen. Met daglicht kan de kweekbak afgeschermd worden met kranten of iets dergelijks.
Verwarming
Verwarming kunnen we op twee manieren toepassen.
Bak-verwarming. Dit kan gedaan worden met een goed werkende thermostaat en verwarmingselement. Er moet rekening gehouden worden dat de verwarmer niet te zwaar is, daar anders de temperatuurschommelingen met te grote schokken zal verlopen. Het beste is om ongeveer 1 watt per 1 liter water te gebruiken. Bij gebruikmaking van een elektrische verwarmer is het altijd nog mogelijk de bak te isoleren met b.v. tempex plaatjes.
Ruimte-verwarming. Dit is wel de meest ideale toestand als er een ‘kweekhok’ voorhanden is, waarvan de ruimte geheel verwarmd kan worden. De temperatuurschommelingen verlopen in zo'n ruimte zeer geleidelijk. Door de kweekbak hoger of lager te plaatsen kan de juiste temperatuur bepaald worden.
Een combinatie van beide is wel het meest optimale maar niet direct noodzakelijk.
Luchtvoorziening en filtering.
Aantrekkelijk is, zeker bij een ‘kweekhok’ om de luchtvoorziening centraal te organiseren door middel van een grote luchtpomp. Hierop kunnen we een aantal bakjes aansluiten en van beluchting voorzien. Voor de filtering kunnen we, indien dit nodig mocht zijn, gebruik maken van simpele binnenfiltertjes die ook op een luchtpomp worden aangesloten. De zogenaamde binnen turbofilters kunnen we in een kweekbak niet gebruiken.
De voorbereiding tot het kweken
Voor we tot het eigenlijke kweken kunnen overgaan moeten we een aantal zaken in overweging nemen, zoals:
-Met welke soort(en) gaan we of kunnen we gaan kweken?
Vissen kunnen we onderverdelen in een aantal groepen die ieder hun speciale eisen stellen om tot voortplanting te komen.
1. Ei-levendbarenden. Bijvoorbeeld Guppen, Plaatjes, Zwaarddragers e.d. Enkele soorten hiervan zijn zeer productief, andere daarentegen weer niet, b.v. Halfsnavelbekjes. Ei-levenbarend wil zeggen dat de eieren in het lichaam van het vrouwtje ‘uitgebroed’ worden, en dat er levende jongen geworpen worden, welke al een zodanige grootte hebben dat bijvoorbeeld Artemia direct gevoerd kunnen worden. Jonge vissen, mits goed gevoerd, kunnen dikwijls al na 4 maanden geslachtsrijp zijn.
Het zogenaamd ‘Selectief Guppen kweken’ vereist enig inzicht in de erfelijkheid en een grote hoeveelheid bakken, evenzo is een uitgebreide boekhouding noodzakelijk.
2. Vrij-leggers. Onderscheid is hier nog te maken tussen vissen die hun eieren vrij in het water afzetten en vissen die hun eieren op bladeren of stenen vastzetten. Een ander onderscheid is, het eenmalig afzetten van alle eieren of het dagelijks afzetten van een beperkt aantal eieren, dit laatste kan dagen doorgaan tot dat het vrouwtje ‘leeg’ is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij bijvoorbeeld Regenboogvissen.
Het grootste deel van de ons bekende vissen behoort tot deze vrij-leggers. Met deze soorten kunnen we kweken in ‘stel’-verband, dus met één stelletje, of in ‘groeps’-verband, dus met meerdere stelletjes.
De inrichting van de kweekbak zal veelal aan de soorten dienen te worden aangepast, maar hierover later meer.
3. Broedverzorgers. Deze groep kunnen we nog verdelen in een aantal sub-groepen, te weten:
- Cichliden, die hun eieren afzetten op een afzetsubstraat zoals planten, stenen e.d. en de eieren gedurende enige dagen tot weken verzorgen. Deze verzorging strekt zich niet alleen uit tot de eieren maar ook dikwijls tot de jonge vissen.
-Muilbroeders. Vissen waarvan de eieren of door de man of door de vrouw in de bek genomen worden tot deze uitkomen. De eieren worden meestal op plant, steen of in een kuiltje in het zand afgezet en daarna door een der ouderdieren in de bek genomen, waar ze, afhankelijk van de soort enige weken kunnen verblijven. Zelfs voor de pas uitgekomen jongen is de bek van de ouder een goede schuilplaats indien er gevaar dreigt.
-Schuimnestbouwers. Voornamelijk een aantal Labyrinthvissen hebben deze broedverzorging. De eieren worden na het afzetten, meestal door de man, in een, van tevoren gemaakt, schuimnest gedeponeerd. Hier verblijven de eieren tot het uitkomen en gedurende de eerste dagen ook de jongen totdat de dooierzak is opgeteerd. Hierna verlaten de jongen het nest en gaan op voedseljacht.
-Killyvissen. Ook een aparte groep wat hun voortplanting betreft. De eieren van de meeste soorten van deze groep moeten een droogte periode meemaken om tot jongen vissen te komen.
Aankoop Indien we tot kweken komen dienen we dieren te nemen die we zelf, om te zeggen, ‘groot gebracht’ hebben. Dit wil zeggen dat aankoop van meerdere stellen jonge vissen de basis moet vormen van onze kweekstellen. We moeten zekerheid hebben omtrent de leeftijd van de vissen waarmee we willen gaan kweken. Jonge dieren van 1 tot 1 ½ jaar oud zijn het beste om mee te kweken.
In conditie brengen.
Tijdens het in conditie brengen van de kweekstellen, waarvoor we wel de tijd moeten nemen, dienen we zo afwisselend mogelijk te voeren, Voornamelijk levend voer is hier zeker nodig. Een zeer grote variatie is er voorhanden, zoals: Daphnia's, Cyclops, diverse soorten Muggenlarven, Kreeftjes, Mysis, enz. Ook visvlees, mosselen en viskuit, dikwijls gekookt maar ook rauw, is een uitstekend visvoer. Verder diverse soorten wormen, waarbij we met Enchytraeën zeer matig moeten omspringen, dit leidt gauw tot vervetting en hieruit voortvloeiend het moeilijk afzetten van de eieren.
Paarvorming.
Tijdens het in conditie brengen van de kweekstellen, wat natuurlijk gewoon in het gezelschaps-aquarium kan plaatsvinden, dienen we de dieren dagelijks te observeren. Hierbij zullen we in de meeste gevallen opmerken dat er bij een aantal soorten ‘stelvorming’ plaats vindt. Mannetje en vrouwtje die regelmatig in elkaars gezelschap te vinden zijn. Bij sommige soorten, voornamelijk cichliden zal dit paarvorming duidelijk waarneembaar zijn. Het gaan kweken met deze paartjes zal bijna altijd succes opleveren. Bij de z.g. vrijleg-gers zal dit paarvorming veel minder optreden en er zijn zelfs soorten waarbij paarvorming in het geheel niet plaatsvindt.
Selectie.
Voor het kweken met vissen dienen we exemplaren te gebruiken die vooral geen enkele afwijking vertonen qua lichaamsbouw, kleur, tekening , vinnen, kieuwdeksels, kromme ruggen, puilogen, enz. Ook extreem grote dieren of uitgesproken kleine exemplaren zijn niet geschikt voor de kweek, ook moeten de vissen levendig zijn in het gezelschapsaquarium. Strenge selectie hierop is een garantie voor een gezond stel nakomelingen.
Voorbereiding van het kweekpaar
Er zijn geen algemene regels te bedenken om een kweekpaar in kweekconditie te brengen. Soms is wel een iets hogere omgevingstemperatuur aan te bevelen dan in het gezelschapsaquarium. Ook het scheiden van de geslachten zal bij een aantal soorten aan te bevelen zijn. Ook het plaatsen in de kweekbak, bijvoorbeeld eerst de man en dan de vrouw of omgekeerd is bij sommige soorten aan te bevelen. Regenboogvissen bijvoorbeeld, die dagelijks een aantal eieren afzetten zullen soms zelfs enkele weken in de kweekbak verblijven en dienen dan gevoerd te worden met in principe levend voer, zoals grote watervlooien of muggenlarven die geen nadelen opleveren bij het uitkomen van de eieren. Per soort zal dit verschillend zijn en we zullen dit bij de bespreking van de diverse soor-ten aan de orde stellen.
Voorbereiding van de kweekbak
Schoonmaken
Bij het schoonmaken van de kweekbak en de hulpmiddelen moeten we niet al te overdreven te werk gaan. Sterilisatie of bijna sterilisatie heeft niet veel nut om-dat in een later stadium de bak gevuld wordt met water, planten en vissen die we ook niet kunnen steriliseren.
Maar goed schoonmaken voor de kweek is wel nodig. Voor het schoonmaken kunnen we gebruik maken van een oplossing met soda, een eetlepel per 20 liter water. Hiermede wordt de bak goed schoongepoetst. Na deze behandeling de bak goed en afdoende uitspoelen met gekookt, en afgekoeld leidingwater tot alle sodaresten eruit zijn. Ook de hulpmaterialen zoals thermometer, verwarming en eventueel filter en niet te vergeten de dekruiten behandelen we op deze wijze.
Voor vele soorten zal dit voldoende zijn. vinden we dit zelf niet voldoende dan kunnen we alle materialen nogmaals ontsmetten met o.a. Halamid. Een dosering van 1 gr op 5 liter water wat we gedurende 1 uur in de bak laten, waarbij de bak tot de rand toe gevuld moet worden. In de bak leggen we ook alle hulpmiddelen. Na deze behandeling de bak en hulpmiddelen nogmaals goed naspoelen met gekookt en afgekoeld water. Kaliumpermaganaat. Een dosering van 1 theelepel op 10 1iter water, gedurende een 1/2 uur in de bak. Hierna weer grondig spoelen. Kaliumpermaganaat is verkrijgbaar bij de drogist of apotheker en kleurt het water paars-blauw.
Bodembedekking zoals zand, kiezel of turf goed wassen en uitkoken indien we dit wensen te gebruiken.
Planten. Alhoewel zo min mogelijk of geen planten in de kweekbak gebruikt dienen te worden zal het toch nodig zijn om deze bij een aantal soorten toe te passen. De planten zetten we gedurende 10 minuten in een oplossing van 1 afgestreken theelepel aluin op 1 liter water. Hierna, grondig naspoelen zoals eerder omschreven.
Vissen. Zoals reeds eerder vermeldt, het schoonmaken niet overdrijven want de vissen zijn niet te ontsmetten of schoon te schrobben. We moeten echter altijd oplettend zijn dat we geen Planaria’s en Hydra’s in de kweekbak introduceren. Deze dieren kunnen een nest eieren of vislarven maar ook jonge visjes geheel vernietigen, oppassen is hier dus zeer gewenst om deze ongewenste gasten uit de kweekbak te houden.
Het verdient aanbeveling de vissen ruim van te voren te wennen aan het z.g. kweekwater zodat het overbrengen naar de kweekbak met zo min mogelijk water kan geschieden.
Resumee. Schoonmaken is nodig maar niet overdrijven Ontsmetten zal afhangen van de soorten die we gaan kweken. Vissen van te voren wennen aan het kweekwater.
Afzetsubstraten
Welk soort afzetsubstraten zijn er nodig.Wat betreft het afzetsubstraat zijn er zeer vele mogelijkheden. Maar elke soort stelt hieraan weer zijn specifieke eisen.
Levende planten worden wel gebruikt in de kweekbak, hier zit echter toch een ‘maar’ aan. Planten zijn niet zo gemakkelijk schoon te maken en hoe vaak ge-beurt het niet dat ze op het juiste moment niet beschikbaar zijn. Daarbij komt nog dat de planten 's-nachts en in de periode dat de bak niet of zeer matig ver-licht kan worden zuurstof gebruiken wat onttrokken wordt aan de jonge visjes. Bovendien werken de eventuele afgestorven plantendelen de infusieontwikke-ling nogal in de hand wat funest kan zijn voor de eitjes.
Naar gelang de soort te kweken vissen kunnen we gebruik maken van:
Turfmolm. Aan te bevelen bij de z.g. bodemleggers, zoals Aphyosemions, die hun eieren hierin graag afzetten.
Turfvezel en Perlonwatten. Dit is te gebruiken voor vissen die hun eitjes tussen fijnbladerige planten afzetten, zoals Barbus-soorten, e.d.
Leisteen of rolkeien in gebruikt bij cichliden zoals b.v. Apistogramma-soorten. e.d.
Bloempotten , halve kokosnoten. Hierin zetten o.a. Nanacara's, Pelvicachromis - soorten e.d. graag hun eitjes af.
Een mop. Een mop is een bundeltje synthetisch brijgaren wat door middel van een stukje kurk aan het wateroppervlak blijft drijven. Hierin zetten niet alleen de oppervlaktevisjes zoals b.v. Epyplatys-soorten e.d. graag hun eitjes in af maar ook een aantal z.g. vrij-leggers gebruiken zo’n mop om hun eieren in af te zetten.
Knikkers. Om eierroof bij de vrij-leggers zoveel mogelijk te voorkomen is het gewenst dat de ouderdieren niet bij de eieren kunnen komen. Vallen de eitjes tussen een laag in de kweekbak gedeponeerde knikkers dan zal eierroof niet gemakkelijk zijn omdat de eitjes tussen de knikker terecht komen en niet meer door de vissen geconsumeerd kunnen worden. Eierroof bij de vrij-leggers is bijna niet te voorkomen en de eieren die zij net afgezet hebben zijn een lekkernij voor de vissen.
Water
Een van de meest controversiële zaken bij het kweken met tropische vissen is het water.
Zijn DH en pH belangrijk? Nemen we gewoon leidingwater of regenwater, oud aquariumwater of gedistilleerd / gedemineraliseerd water? Enig geëxperimenteer is hier zeker van toepassing. Want het is toch wel belangrijk om, te weten uit welk ‘soort’ water we een geslaagde kweek overhouden. Meten van DH en pH en eventueel de geleidbaarheid is zeker op zijn plaats. Deze metingen behoeven niet op 0,1 nauwkeurig te gebeuren maar er is wel de-gelijk verschil tussen een DH van 5 en 20 en dit is zeker met de bestaande meetsetjes aan te duiden.
Leidingwater. Vele soorten zullen in normaal leidingwater tot ei-afzetting overgaan en jonge vissen groot brengen in leidingwater zal in veel gevallen ook geen probleem zijn. Het is evenwel wel belangrijk dat we het leidingwater gedurende enige dagen doorluchten met een grove bel om de indien aanwezige chloorgassen te verdrij-ven. (In Nederland wordt het leidingwater niet meer gechloreerd).
Aquariumwater. Het water gebruiken voor de kweek wat zich in het gezelschapsaquarium bevindt wordt ook toegepast. Alleen moeten we ons dan wel afvragen waarom we alles zo goed schoongemaakt hebben.
Regenwater. Regenwater, wat we opvangen na enige weken droogte, is zonder meer af te raden. De atmosfeer is zodanig verontreinigd dat dit water bijna puur vergif is voor onze vissen omdat er in de atmosfeer als het enige dagen niet geregend heeft een groot aantal deeltjes aanwezig zijn die niet bevorderlijk zijn voor de gezondheid van onze vissen. En niet alleen voor de vissen, ook onze gezondheid heeft hiervan te leiden. Het moet minstens enige uren flink regenen willen we dit water kunnen gebruiken. En het op te vangen water kan beter niet in aanraking komen met daken, goten e.d.
Gedistilleerd water. We kunnen ook spreken van gedemineraliseerd water. Meestal erg duur, maar we weten dat de pH 7 is en de hardheid omstreeks 0 DH. Bij toepassing minstens enige dagen doorluchten met een grove bel, waarbij we de pH terdege in de gaten dienen te houden, om reden dat we door het in beweging brengen van dit water de in de atmosfeer aanwezige koolzuurgassen opnemen en omdat de hardheid omstreeks de 0 is zal dit koolzuur niet gebufferd worden en kan de pH sterk dalen, het water wordt dus zuur. Gedistilleerd water dienen we altijd wel aan te lengen met leidingwater of aquariumwater. Door menging van de diverse soorten water kunnen we ons kweekwater samenstellen wat we nodig hebben.
Wisselaars. Een andere manier om dit te doen is gebruik te maken van de z.g. anion- en/of kation wisselaar.
Met enige aarzeling wordt dit onderwerp aangesneden. De materie is vrij inge-wikkeld en vraagt kennis van chemie. Populair gezegd komt het hier op neer dat deeltjes van de in het water opgeloste stoffen uitgewisseld worden door andere deeltjes, zodanig dat we alleen zuiver water H2O overhouden.
Voor een juiste toepassing van deze wisselaars verwijzen we naar artikelen in het maandblad “Het Aquarium”.
Temperatuur
Iedere vissoort heeft een optimale temperatuur voor het afzetten van de eieren. Maar ook het uitkomen van de larven is gebonden aan een specifieke temperatuur. Het is zelfs zo dat er soorten zijn waarbij de temperatuur bepalend kan zijn voor de geslachtvorming van de pas uitgekomen larven.
De vissen in de kweekbak zetten
In het voorgaande hebt u kunnen lezen dat we een aantal zaken ontsmet hebben om zo veel mogelijke rampjes te voorkomen. Zetten we nu plomp verloren de ouderdieren met een plas water uit het aquarium in de kweekbak dan heeft heel het desinfecteren geen nut. We moeten zorgen dat er zo min mogelijk ander water dan het kweekwater in de kweekbak komt. Dat kunnen we doen door middel van toepassing van de druppelmethode, wel bekend. Als de vissen langzaam gewend zijn aan het water van de kweekbak dan scheppen we de vissen met een netje uit de emmer en laten we ze los in de kweekbak, of dit gelijktijdig de beide geslachten of gescheiden komt in een later tijdstip wel aan de orde.
Opfok van de jongen vissen
Bij de opfok van pas uitgekomen vissen is belangrijk dat zij ‘in het voer staan’, want wat een vis in de eerste maand van zijn leven te kort komt haalt hij nooit meer in. Vandaar dat er veel aandacht geschonken moet worden aan het voer wat we nodig hebben voor de opfok van de pas uitgekomen vissen. Dit is een belangrijk gegeven en de amateurkweker zal hier terdege rekening mee hebben te houden, want het is enorm belangrijk dat we gezonde krachtige jongen vissen kweken.
Veel amateurkwekers lukt het wel om bepaalde vissen er toe te brengen hun eitjes af te zetten en die zo te verzorgen dat ze uitkomen, maar dan komen vaak de vragen. Wat moet ik die jongen te eten geven en hoe kom ik aan het juiste voer. Doordat die vraag meestal gesteld wordt als de jongen er al zijn, zijn er al heel wat nesten jonge vissen ten gronde gegaan. Vandaar hier enkele tips voor wat betreft het voedsel voor jongbroed.
Slootinfusie.
Als slootinfusie gevoerd moet worden, wat tot nu toe nog steeds het beste is voor de eerste dagen van de meeste vislarven, is het noodzakelijk eerst een paar dingen aan te schaffen. Dit zijn: Een goed vergrootglas, loupe of dradenteller, beter is nog een goed-kope microscoop die 50 tot 100 x vergroot. Verder nog een infusienet en een stel voerzeven. Nu zijn er hele verhalen hoe men infusie moet vangen, maar het komt hier op neer. We gaan met het infusienet op de zelfde manier te werk als bij het watervlooien scheppen. Maar de inhoud van het net wordt nu in de bovenste voerzeef gedeponeerd, net er onder en doorspoelen. Na het doorspoe-len is de gehele vangst op grootte gesorteerd in de diverse zeven met als laatste het net, Wat nu in de onderste zeef zit en de inhoud van het net moeten we onder de microscoop bekijken of het geschikt is. Om nu zeker te stellen dat e.e.a. goed gaat is het verstandig om eens met iemand mee te gaan die infusie gaat scheppen en zodoende enige ervaring op te doen.
Infusiediertjes zelf kweken.
Er zijn vele methoden om dit te doen, er is echter een bezwaar aan het zelf kweken van infusie en wel deze; Dat de zelfgekweekte infusie zeer eenzijdig is van samenstelling, toch zeker in vergelijking met slootinfusie. Het beginnen met voeren moet pas een aanvang nemen na het opteren van de dooierzak. Met een goed vergrootglas is dit goed waar te nemen, de larven zullen ook pas gaan zwemmen nadat de dooierzak op is. Slootinfusie kunnen we nu 3 tot 10 dagen toe gaan dienen en wel met een frequentie van 3 x per dag, ze moeten in het voer staan. Of de larven eten is goed te constateren aan de bolle buikjes die goed zichtbaar zijn bij de jonge vissen.
Liquifry.
Liquifry is een vloeibaar voedsel uit een tube. Het is in elke goede aquariumzaak te koop. Het is zeer geschikt om in de eerste dagen als bijvoedsel te geven, tegelijk met slootinfusie of zelf gekweekte infusie, aan jonge vissen die nog geen microaaltjes of Artemia aan kunnen. Van de Liquifry kunnen we gewoon enkele druppels in de bak doen, bij een doorluchting met een grove bel zal het zich door de gehele bak verspreiden.
Microaaltjes.
Hiervan moet men een kweekportie zien te bemachtigen. Ze kunnen gekweekt worden in plastic koelkastdozen met deksel. In de doos wordt een papje van havermout en melk van 1 a 1,5 cm. dikte gedaan, het kweekportie erin, en na ongeveer 1 week kunnen de microaaltjes gevoerd worden, die met een penseel van de kanten af te strijken zijn. Het is wel zaak dat om de twee weken een nieuwe kweek opgezet wordt.
Er is nog een andere methode om ze te kweken. Zelf pas ik die al jaren toe. In een koelkastdoos met deksel zit l cm. uitgekookte turfmolm. De molm moet altijd flink nat zijn, hiervoor wordt water uit het aquarium gebruikt. Nadat er microaaltjes ingedaan zijn wordt er gevoerd met gemalen havermout. Na 3 a 4 dagen moet die havermout op zijn en kan er andere opgestrooid worden. Op deze wijze houd ik al jaren een kweekje microaaltjes in stand.
Artemia salina.
Dit zijn de beroemde pekelkreeftjes. De eitjes zijn in elke aquariumzaak te koop. Om ze te laten uitkomen nemen we een fles met wijde hals die gevuld wordt met aquariumwater (dus geen leidingwater). hierin wordt 20 gr jodium-vrij keukenzout per liter water in opgelost (=ongeveer 2 afgestreken eetlepels). In de fles komt een flinke doorluchting en een mespuntje eitjes. Bij een temperatuur van 25 gr. C. komen de eitjes na 24 - 36 uur uit. Als dan de luchtpomp wordt afgezet zullen de kreeftjes zich in de fles op de lichtste plaats verzamelen en hier kunnen ze worden afgeheveld in een zeefje. Nadat ze onder de kraan zijn afgespoeld kunnen ze gevoerd worden.
Droogvoer
Ook droogvoer kan zo nu en dan eens gegeven worden. Het is een kwestie van gewoon droogvoer zo fijn mogelijk maken en het daarna met zeer kleine hoeveelheden aan de visjes voeren.
Water verversen
Doordat er vaak een paar honderd jongen in een kleine hoeveelheid water zitten en er bovendien in dat water nogal flink gevoerd wordt, zal het snel bederven. Vandaar dat het zaak is om veelvuldig te verversen. Een recept is om 10% van het water in de kweekbak dagelijks te verversen, te beginnen één week na het afzetten van de eieren. Het afhevelen kan bij zeer jonge visjes haast niet gewoon met een slang gebeuren, want dan zijn in de kortste keren al de larven mee afgezogen. Dit kan voorkomen worden door te hevelen met een luchtslang waaraan een bruissteentje bevestigd zit. De hoeveelheid water die ververst moet worden wordt in een emmer op het aquarium gezet en kan druppelend met een luchtslang met een klemmetje in de bak lopen. Bij een aantal soorten te kweken vissen is het ook belangrijk dat we de waterhoogte reguleren. Bijvoorbeeld bij jonge Labyrinthvissen zal na ongeveer 10 dagen dit orgaan zijn vorm krijgen en ontwikkeld worden. Het is dan zaak dat de waterhoogte in de kweekbak niet te hoog is want de jonge visjes moeten de mogelijkheid krijgen om dit orgaan te vullen met atmosferisch lucht. Is de waterstand nu te hoog dan kunnen zij de oppervlakte niet bereiken en zullen ze, laten we zeggen ‘verdrinken’.
Na 4 à 5 weken zullen de visjes zo groot zijn dat zij uitgezet moeten worden in een uitzwemmer. Ook hier geldt weer regelmatig water verversen, goed voeren, observeren en afwijkende exemplaren verwijderen.
Buffervoorraad.
Bij vissen die een specifieke soort kweekwater nodig hebben dienen we te zorgen voor voldoende buffervoorraad om de nodige verversingen uit te voeren.
| < Vorige | Volgende > |
|---|







